Dit weekend in de gouden terugblijk de Nederlandstalige zangeres Marina de Koning,
ze is onder haar artiestennaam Miggy bekend geworden.
Haar verhaal doet mij denken aan dat van Wilma, waar ik op 12 augustus 2016 een blog over schreef.
Miggy werd geboren in Breda op 31 oktober 1961 en ze groeide op in de wijk Tuinzigt, een niet echt een vrolijke verhaal van de Brabantse behangersdochter Marina van der Rijk en moeder Maria Cornelia de Laat.
Ze werd op haar elfde ontdekt toen ze een liedje zong op het trouwfeest van haar zus, daar zong ze het liedje Adio van Corry Konings.
Hierna kwam ze in contact met een manager en nam zang- en gitaarlessen en zo won ze veel
talentenjachten, trad op in België, waar ze als minderjarige wel wettelijk macht optreden en deed ze mee aan talentenjachten.
Op 19-jarige leeftijd werd ze gebeld door de makers van ‘Annie’, die met het nummer aan het leuren waren.
Het nummer Annie werd geschreven door Clemens Duijnstee en gecomponeerd door
trompettist Cor Willems, zo besloot ze het nummer te gaan zingen.
Ze verruilde haar zachte g tijdelijk voor een plat Randstedelijk accent en had succes en de
mannelijke stem in het liedje is van Fred de Groot.
In 1981 wist Miggy met een plat accent vertolkte meezinger hiermee Under Pressure van Queen en David Bowie van de nummer een positie in de top veertig af te stoten.
Na deze hit wist ze geen groot succes meer te behalen, wel bereikte een remix van het nummer de tipparade in 1989.
Ze bleef tot in de jaren negentig wel doorgaan met zingen, zo trad ze samen op met haar
partner op bruiloften en partijen als het duo Miggy& Jack.
Miggy was een geliefd persoon in de roddelbladen, zo werd ze beticht een affaire te hebben met een 70-jarige man, maar dat bleek haar vader te zijn.
Ook zou ze straatarm zijn geweest en gedwongen zijn om in een cafetaria te werken.
Dat bleek achteraf de zaak van haar man te zijn.
Ze zong alleen nog over Annie als het publiek daar uitdrukkelijk om vroeg.
‘Iedereen associeert haar nog altijd met dat ene liedje’, maar ze kon veel meer, zo ze zong van house tot Strauss, in het Nederlands, Duits, Engels, Frans en Spaans.
Bovendien riep het liedje voor haar herinneringen op aan een tijd die ze niet altijd als even
plezierig ervoer.
Het avond aan avond optreden in discotheken en buurthuizen door het hele land was voor de toen twintigjarige Miggy na verloop van tijd niet meer op te brengen.
En dan die niet aflatende belangstelling voor haar privéleven, als er maar iets was werd dat
bijna wereldnieuws.
Weel was ze in bezit van een een gouden plaat van plastic die een Alkmaarse diskjockey ooit voor haar maakte omdat hij het zo sneu vond dat ze, ondanks de ruim 75 duizend exemplaren die van haar hitsingle Annie werden verkocht, nooit een gouden plaat mocht ontvangen.
Die gouden plaat moet wel ergens zijn, vermoed dat die bij de manager terecht is gekomen.
Het is tekenend voor de naïviteit waarmee de jonge Miggy in de heksenketel van de showbizz stond.
De begeleiding was alleen in de eerste weken van het Annie-tijdperk in orde,
de managers wezen haar op de fouten die ze tijdens de show maakte en de platenmaatschappij stuurde naar elk optreden pluggers mee.
Maar na korte tijd stond ze er helemaal alleen voor, ze was niet bekend in Nederland, ze was nooit verder dan Overijssel geweest met vakantie.
Plotseling stond ze in disco’s in Friesland te zingen, haar familieleden en vrienden namen bij toerbeurt de rol van begeleider op zich, maar de meesten haakten na een paarslopende
avonden en nachten af, tijdens sommige avonden bood alleen haar hond gezelschap.
Eigenlijk deed de platenmaatschappij van alles voor haar, zolang ze maar scoorde.
Maar als het mis gaat, houdt alles op en mis ging het met haar.
Het avond aan avond optreden, met ’s middags alleen een hap uit de snackbar, brak haar op.
Ze stortte in toen dronken toeschouwers haar na de zoveelste vertolking van Annie de kleren van het lijf rukten en haar met haar handen in kapot gegooide bierglazen drukten.
Op advies van de arts verbleef ze drie weken bij haar moeder, waar ze alleen boerenkool en hutspot at om weer op krachten te kome.
‘De opvolgers van Annie, de single’s ‘Ik word niet goed’ en ‘Het is weer pauze, werden geen hit.
Haar de houseversie van Annie, die ze in 1989 uitgebracht kwam niet verder dan de tip parade.
Met haar komback wilde ze het Nederlandse publiek laten horen dat ze er nog was en dat ze ook nog wat anders kon zingen dan Annie.
Haar liedjes op de nieuwe cd lagen al klaar en waren een beetje Janis Ian-achtig.
Ze hoopte op een nieuw succes maar ze was vastbesloten de zaken anders aan te pakken dan vijftien jaar geleden.
Ze besloot geen zeven optredens meer op een avond te doen en zeker niet meer door de week, want dan wilde ze thuis te zijn voor dochter Miggy.
Of ze de bovenmatige aandacht voor haar privéleven kon handelen was de vraag, het weerhield haar soms van het terugverlangen naar succes, ze kende ook de andere kant van beroemd zijn.
Ze wist toen dat ze bij alles wat ze zou doen op haar tellen moet passen.
Ze wilde wel graag haar zelf blijven en at ’s avonds nog altijd gewoon een sudderlapje.
Ze was 51 jaar en stierf Veel te jong op 7 november na een kort ziekbed.
Op sociale media reageren veel mensen verbaasd op het overlijden van Miggy.
Miljoenen Nederlanders kennen het nummer ‘Annie, Hou Jij M’n Tassie Even Vast’, haar enige grote hit in Nederland.
Dit weekend is ze de Gouden terugblik bij radio de BOM.
Categorie archieven: Geen categorie
Esther Ofarim – T’en vas pas.
Dit weekend in de Gouden terugblik “Esther Ofarim” geboren als Esther Zaied, in Safed te Israël op 13 juni 1941 is een Israëlische zangeres en ze is negen en zeventig jaar geworden.
De ervaren Israëlische zangeres begon eind jaren vijftig met het opnemen van muziek en heeft in haar hele carrière platen uitgebracht in verschillende stijlen, waaronder volksmuziek
(uit Israël en andere culturen en landen), folkrock, novelty en georkestreerde folk-pop
klassiek-rock beroemd gemaakt door “Judy Collins”.
Ze bracht vaak platen uit in het Engels, met vrijwel geen spoor van een Israëlisch accent en nam ze muziek op met haar eenmalige echtgenoot “Abi”.
Hoewel ze niet al te bekend is bij het Engelssprekende publiek, heeft het van tijd tot tijd het pop- en rockbewustzijn aangetast.
In 1964 brachten ze de hit, “One More Dance” uit en brak het duo in Nederland,
een Engelstalige versie van hun nummer ‘od rikud echad uit 1962.
Met het nummer “T’en va pas” (Engels: Don’t Go) werd in het Frans gezongen, was ze deelnemer aan het Zwitserse Eurovisie Songfestival in 1963.
Ze zong als tiende op de avond, aan het einde van de stemming had het nummer veertig
punten behaald, waardoor ze tweede werd van de zestien deelnemers.
‘T’en va pas’ werd in 1963 als single uitgebracht bij Philips Records en bereikte alleen de
negenendertigste plaats in de Duitse hitlijst.
In februari 1964 stond One More Dance kort in de hitparade.
In 1968 scoorde ze als duo “Esther & Abi Ofarim” een Britse en Nederlandse nummer één hit, “Cinderella Rockefella“die ook goed werd verkocht in andere landen, maar niet zo goed in de Verenigde Staten.
Volgens “Radio Caroline” DJ “Andy Archer” was dit juist het nummer het laatste dat op Radio Caroline South werd gespeeld in de nacht van 2-3 maart 1968, voordat het radioschip (zoals dat van zusterstation Radio Caroline North) de haven in werd gesleept onbetaalde schulden op de ochtend van 3 maart.
De manager van het paar “Ady Semel”, was ook al een tijd je de manager van “Scott Walker” en ze schreven samen veel van het materiaal op Walker’s album uit 1970 “Til the Band Comes In”.
Door die connectie was ze uiteindelijk de enige stem die zong op een nummer op het album
‘’Til the Band Comes In’, namelijk het nummer “Long About Now“, (geschreven door Walker en Semel), een zeer ongebruikelijke zet op een album van aan een heel andere solozanger.
Semel vertelde de pers ook dat hij van plan was om Scott Walker en Esther Ofarim tot een team te maken, maar dat lukte niet.
Aan het begin van de jaren ’70 nam ze wat materiaal op in een stijl die opmerkelijk meer
in productie dan in zang lag bij die van Judy Collins rond dezelfde tijd, uitgekozen folk-pop-art liedjes met een klassiek getinte orkestarrangementen.
Bekende producer “Bob Johnston” onder andere van “Bob Dylan”, “Johnny Cash” en “Simon & Garfunkel” produceerde een van deze nummer voor haar in 1972, wat aangeeft dat iemand of sommige mensen in de industrie dachten dat ze de potentie had om een aanzienlijk populair publiek aan te trekken.
In 1982 bracht ze het album “Complicated Ladies” uit bij Mercury Records met
“Eberhard Schoener”, “Wolf Wondratschek” en “Ulf Miehe”.
In 1984 speelde ze in het toneelstuk “Ghetto” van “Joshua Sobol”, geproduceerd door
“Peter Zadek” in Berlijn.
Daar zong ze onder meer “Frühling” en “Unter deinen weissen Sternen”.
Haar liedjes waren ook te zien in de Israëlische film “Walk on Water” uit 2004.
In 1988 keerde ze terug naar Israël en begint aan een nieuwe tour, met onder meer nummers van “Eli Mohar” en “Meir Wieseltier”, zijn uiteindelijk in een aantal collecties verschenen.
In 1990 trad ze op tijdens het “Arad Festival” op een avond gewijd aan “Mordechai Zeira”,
haar favoriete componist.
In 1991 nam ze deel aan het Israel Festival in de avond van de liederen van dichter Rachel en in 1995 keerde ze terug naar het Arad Festival in een gezamenlijke uitvoering met “Yehudit Ravitz”, met wie ze daarna toerde.
In 1998 was ze te gast bij het vijftigjarig jubileumconcert van het “Jerusalem Symphony Orchestra”.
Gedurende deze jaren begon ze weer op te treden in heel Duitsland.
In de zomer van 1999 nam ze deel aan de serie “Classic & Different” met het “Israel Philharmonic Orchestra” in het Mann Auditorium in Tel Aviv.
In augustus 2011 was ze te gast bij twee concerten van zangeres “Achinoam Nini” in het Mann Auditorium in Tel Aviv, begeleid door het “Haifa Symphony Orchestra”.
In januari 2013 werd een gastoptreden geëerd als onderdeel van het vernieuwde Israëlische zangfestival.
In juni 2014 trad ze op in het ‘Jerusalem International Convention Centre’, in het kader van het Israel Festival, samen met “Yehoram Gaon”.
Ze zingt daar enkele van haar klassieke liedjes, waaronder de Ladino “Adio Querida”.
In mei 2015, meer dan veertig jaar na haar historische optreden, trad ze opnieuw op in het Mann Auditorium in Tel Aviv.
De voorstelling werd begeleid door “Yoni Rechter”, die de film ook regisseerde.
De show werd live uitgezonden op Army Radio en werd gefilmd.
Heden treed ze nog steeds op, maar door het coronavirus is veel afgelast.
maar dit weekend is ze de Gouden terugblik met ‘T’en vas pas’ in de BankShow.
Eurovision 1963: Switzerland – Esther Ofarim – T’en vas pas
Alvin Stardust – My Coo Ca Choo.
Dit weekend is Alvin Stardust, wiens werkelijke naam Bernard William Jewry was,
de Gouden terugblik in de BankShow.
Hij werd geboren op 27 september 1942 in Londen en was een Engelse zanger.
Hij had diverse hits als My Coo Ca Choo en I Feel Like Buddy Holy.
Zijn jeugd bracht hij grotendeels door in Mansfield, Nottinghamshire.
Daar belandt hij, aangestoken door het rock-’n-roll virus, eind jaren 50 als roadie bij het lokale bandje Johnny Theakstone & The Tremolo’s.
Zijn naam, het geluid en het beeld waren gloednieuw, maar toen hij voor het eerst op de Britse scène verscheen in november 1973, gloeiend in een strak lederen kattenpak en zijn liefde voor zijn kleine coo-ca-choo beweerde, meer dan een toeschouwer wierp hem een blik toe en zei:
“Ik ken dat gezicht” en daar hadden ze gelijk in.
Meer dan een decennium daarvoor, in de jaren 1961- 62, had hij de artiestennaam
“Shane Fenton” en scoorde met twee van de meest memorabele hits uit de jaren ’60
van de pre-Beatles: “I’m a Moody Guy” en “Cindy’s Birthday”.
Sinds die tijd was hij in de vergetelheid geraakt en zocht hij zijn toevlucht in het nachtclubcircuit met een steeds vermoeidere oldies, totdat een ontmoeting met songwriter / producer
“Pete Shelley” hem plotseling weer op de juiste weg bracht.
Hoewel noch Fenton noch Shelley de pure hypnotische pracht van ‘My Coo Ca Choo’, het
nummer dat de Stardust persoon onder de aandacht bracht, bleken ze nog steeds een van de meest betrouwbare en constant plezierige hit makers teams te zijn van halverwege de jaren ’70.
Hij schreef “My Coo Ca Choo” lang voordat hij besloot wie het zou uitvoeren, alles wat hij wist was dat hij iemand wilde die rock & roll kon zingen en er behoorlijk gemeen uitzag.
In die tijd leek het hele land te worden verteerd door glam rock, met alle oppervlakkigheid die dat met zich meebracht.
Hij wilde iemand die zou worden gezien als het tegenovergestelde van dat alles.
Hij vond het in zijn alter ego in Alvin Stardust.
Omdat het een vroeger tijdperk was kon de naam Fentons niet meer worden gebruikt en zijn artiestennaam moest nieuw leven worden ingeblazen.
Alvin Stardust klonk volledig up-to-date en hoewel er zeker enkele kinderziektes waren in de weken voordat “My Coo-Ca-Choo” werd gelanceerd.
Tegen de tijd dat het nummer de Top 40 begon te bestijgen was het beeld van Alvin Stardust stevig gevestigd.
Zodat dat de media zich realiseerden wie hij werkelijk was, was een hele generatie popfans zo in de ban dat het er eigenlijk niet meer toe deed.
Met een kapsel uit de jaren ’50 -stijl, strak zwart leer en een permanente frons, gehurkt in een houding halverwege tussen een vechtende bokser en de geest van “Gene Vincent”, was hij de meest bedreigend ogende popster van die tijd.
Nog voordat de publiciteitsafdeling van Magnet Records in beweging kwam, hadden de media hem al verschillende nicknames gegeven zoals: “The Man in Black”, “The Untouchable”,
“The Star Who Forbidden to Smile”, “The Son of Gary Glitter”.
De kindertelevisie overwoog serieus om hem te verbieden om in programma’s te verschijnen voor het geval hij de jonge kijkers bang maakte, maar niets kon “Mijn Coo Ca Choo” stoppen.
De single steeg naar nummer twee omdat hij van de eerste plaats werd gehouden door
collega-veteraan “Gary Glitter”.
Zijn nummer “Jealous Mind”, haalde wel de eerste plaats, meer dan gecompenseerd voor
die teleurstelling en in het volgende jaar, in de zomer van 1975, produceerden Shelley en Stardust nog vijf, bijna even memorabele, hitsingles: “Red Dress”, “You You You”, “Tell Me Why”, “Good Love Can Never Die” en “Sweet Cheatin ‘Rita”.
Met het nummer “Jealous Mind” haalde hij in 1973 de top van de Britse hitlijst.
Hij was van plan dat najaar voor het eerst in dertig jaar met een nieuw album te komen.
De hits stopten daarna, maar hij had al plannen gemaakt voor de toekomst.
Hij had het leer en de frons al laten vallen, terwijl vooral zijn laatste twee singles een gevoelige kant hadden onthuld voor de eens demonische performer.
Met een publiek dat nu zoveel ouders als kinderen omvatte, richtte hij zijn aandacht op het rock & roll revival circuit en bleef een succesvolle live-draw tot ver in de vroege jaren ’80.
Hij ontwikkelde toen een vrij opmerkelijke comeback, tekende bij het Stiff Records-label een contract en keerde terug naar de hitlijsten met “Pretend”.
Het bereikte nummer vier in de herfst van 1981 en terwijl hij toen weer in stilte verviel, was het slechts een vluchtige hit.
In mei 1984 keerde hij terug met het nummer “I Feel Like Buddy Holly” in de hitlijsten, gevolgd door “I Won’t Run Away” en de feestelijke favoriet “So Near to Christmas”.
Hij vierde het 25-jarige hitlijsten succes het jaar daarop toen “Got a Little Heartache” de in de hitlijsten doorbrak.
Het was om zijn laatste hit te bewijzen en na die tijd bleef hij een vaste waarde op het live circuit en verscheen hij ook af en toe op televisie en op het podium.
Maar op donderdag 23 oktober 2014 is hij op 72-jarige leeftijd overleden.
Stardust stierf na een kort gevecht met prostaatkanker, dit werd bevestigd door zijn manager.
Zijn dood kwam slechts twee weken voordat hij na dertig jaar zijn eerste album “Alvin” zou uit brengen.
Hij stierf thuis met zijn vrouw en familie om hem heen.
Zijn eerste top 40 hit in Nederland was My Coo Ca Choo en is dit weekend de Gouden terugblik.
Alvin Stardust – My Coo Ca Choo.
Donovan – Atlantis.
Dit weekend is de Gouden terugblik Donovan Philips Leitch die in Glasgow, Schotland werd
geboren op 10 mei 1946 en viert vandaag zijn achtenzeventigste verjaardag.
hij is bekend geworden onder zijn artiestennaam “Donovan”.
Hij groeide op buiten Londen en op zijn achttiende nam hij zijn eerste demo op en in 1965 trad hij regelmatig op in de tv-pop showcase Ready, Steady, Go!
Hij publiceerde al snel zijn debuutsingle “Catch the Wind”, waarmee hij de eerste reeks
“Bob Dylan” vergelijkingen kreeg met zijn zorgeloze volksgeluid en nonchalante uiterlijk,
de single bereikte niettemin de U.K. Top Five.
Daarna had hij een ontmoeting tussen de twee singer / songwriters die werden vastgelegd in de klassieke D.A. Pennebaker-documentaire “Do not Look Back”.
Een Amerikaanse documentaire uit 1967, waarin Bob Dylans concerttour door het Verenigd
Koninkrijk uit 1965 wordt gevolgd.
Donovan werd heel populair in de jaren zestig en werd hij met zijn aan folk verwante popsongs beschouwd als het Britse antwoord op Bob Dylan, een gemakkelijke maar grotendeels
ongegronde vergelijking die de eigen unieke visie van de Schotse folk troubadour in
ondermijnde.
Waar de strekking van Dylans muziek zijn sombere introspectie en bitter realisme bleef,
omhelsde Donovan het optimisme van de flower power beweging met zijn open blik en zijn etherische sierlijke songs die een mystieke schoonheid en kinderlijke verwondering
uitstraalden.
In voor en tegenspoed blijven zijn opnames typische schatten uit het psychedelische tijdperk die het vredes- en liefdesideaal van hun tijd tot in de perfectie vangen.
De opvolger van “Colors” werd ook een hit en nadat hij zijn Amerikaanse debuut maakte op het Newport Folk Festival in 1965, bracht hij het album “Fairytale” uit, zijn tweede en laatste LP bij het Hickory-label.
Onder contract bij Epic records in 1966 bracht hij het hit album “Sunshine Superman” uit.
Dat in zijn exotische arrangementen en uitgesproken psychedelische lyrische vorm een
belangrijke verschuiving aankondigde van zijn eerdere werk.
Zo kwam het titelnummer Sunshine Superman bovenaan in de hitlijsten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, met het raadselachtige “Mellow Yellow” dat een paar maanden later nummer twee positie bereikte.
Hij bleef in 1967 de hitlijsten bestijgen en genereerde een reeks hits waaronder
“Epistle to Dippy”, “There Is a Mountain” en “Wear Your Love Like Heaven”, in dat jaar reisde hij samen met “the Beatles” naar India om te studeren bij de Maharishi Mahesh Yogi, een reis die hem inspireerde om af te zien van zijn drugsgebruik en zijn luisteraars aan te moedigen zich tot de meditatie te wenden.
Het ambitieuze dubbelalbum “A Gift from a Flower to a Garden” volgde en in 1968 kwam zijn zesde studioalbum “The Hurdy Gurdy Man” uit en scoorde hij een Top vijf hit met de hallucoire titel song en het album leverde hem ook de hit “Jennifer Juniper” op.
Met het zevende studioalbum “Barabajagal” uit 1969 genereerde hij zijn laatste Top 40-hit met het nummer “Atlantis”.
Voor het titelnummer “Barabajagal” werkte hij samen met de “Jeff Beck Group”, met wie hij ook samen aan het album “Open Road” in de jaren zeventig werkte.
Hij trok zich vervolgens terug in Ierland en kwam na een periode van afzondering terug om te schitteren in de film “The Pied Piper” in 1972.
Na deze opleving scoorden hij een paar nieuwe lp’s, “Cosmic Wheels” en “Essence to Essence”.
Het jaar daarop verschenen er teleurstellende recensies en was er weinig commerciële
belangstelling voor hem.
Na uitgave van zijn twaalfde studioalbum “7-Tease” in 1974 bracht hij de volgende jaren
teruggetrokken door in de Joshua Tree-woestijn in Californië,
waar hij slechts een kleine clubtour opbouwde om het album “Slow Down” uit 1976 te
promoten.
Het album “Donovan” verscheen een later jaar, en in het spoor van “Jerry Wexler”
geproduceerde “Lady of the Stars” uit 1983, stopte hij met schrijven en opnamen.
Zijn terugkeer begon serieus in 1991, toen de band “Happy Mondays” ten ere van hem en zijn baanbrekende werk het nummer “Pills ‘n’ Thrills and Bellyaches” uitbrachten en zo toerde hij
Vijf jaar later bracht hij zijn comeback album “Sutras” uit, geproduceerd door “Rick Rubin”.
Het album werd op een verkeerd moment uitgebracht door Rubin net na de release van
“Johnny Cash” en het album werd door American Recording vrijwel genegeerd of verkeerd uitgelegd door critici.
Donovan toerde kort om het album Sutras te ondersteunen maar speelde slechts sporadisch en liet het ook wel eens afweten.
In 2004 verscheen hij echter weer in het intieme en stijlvolle album “Beat Café”, een verzameling bijna geheel originele nummers geproduceerd door toetsenist “John Chelew”.
Zo schakelde hij ook bassist “Danny Thompson” en drummer “Jim Keltner” in om zijn kwartet compleet te maken.
Het album bevatte een paar covers, een gesproken woord uitlevering van “Do Not Go Gentle” van dichter “Dylan Thomas” en een verrassende vertolking van het traditionele deuntje
“The Cuckoo”.
Hoewel hij sinds het einde van de jaren zestig geen grote speler is in populaire muziek, blijft hij toeren en optreden en herinnert hij zich de ervaringen en vriendschappen van zijn
hoogtijdagen voor de media.
Zijn muziek verschijnt regelmatig in programma’s over het jaren zestig tijdperk en heeft de
nieuwere generaties bereikt door het gebruik ervan in tv-commercials.
Eind 2005 publiceerde hij een autobiografie: “The Hurdy Gurdy Man“.
In april 2007 presenteerde hij een driedelige serie over “Ravi Shankar” voor BBC Radio 2.
In oktober 2007 kondigde hij zijn plannen aan voor de “Invincible Donovan University” met de nadruk op Transcendente Meditatie.
En in de zelfde maand werd de dvd “The Donovan Concert-Live in LA”, die eerder dit jaar in het Kodak Theatre Los Angeles was opgenomen in het VK uitgebracht.
Op 6 oktober 2009 werd hij geëerd als een BMI-pictogram op de jaarlijkse BMI London Awards in 2009.
De Iconaanduiding wordt gegeven aan BMI-songwriters die “een unieke en onuitwisbare
invloed hebben gehad op generaties muziekmakers”.
In oktober 2010 werd de dubbele CD “Ritual Groove” via zijn website beschikbaar gesteld.
In 2015/2016 wordt er aan gekondigt dat hij terug keert naar het concertpodium als een van de meest volmaakte solo-artiesten aller tijden.
Maar dit weekend is hij de Gouden terug blik met zijn hit Atlantis.
Lou Bandy – Zoek De Zon Op.
Dit weekend in de Gouden terugblik de Nederlandse zanger “Lodewijk Ferdinand Dieben”,
hij is in Den Haag geboren in een arm Haags gezin, op 19 april 1890 en hij is in Zandvoort
overleden op 24 juni 1959.
Hij is een Nederlands zanger, en conferencier en hij speelde in films en theaters die bekend is geworden onder zijn artiestennaam Lou Bandy.
Hij is één van de populairste allround entertainers van de vorige eeuw en beleeft zijn
hoogtijdagen in de jaren dertig, toen hij volle zalen trok met de revues waarin hij de hoofdrol speelde.
Zijn vader werkte als dienstbode en zijn moeder lag vaak ziek op bed, zo bracht hij veel tijd door met zijn twee jaar oudere broer Wil.
In zijn jonge jaren versleet Bandy heel wat ambachten, hij werkte onder meer voor de Holland Amerika Lijn en reisde zo naar Londen en New York.
Naar eigen zeggen ontstond zijn artiestennaam in Berlijn waar hij werkte als kelner.
Toen zijn baas hem in een volle zaak riep (‘Dieben!’), grepen een aantal bezoekers verschrikt naar hun portemonnee in de veronderstelling dat er zakkenrollers binnen waren.
Om dergelijke verwarring in de toekomst te voortkomen, werd besloten zijn achternaam
te veranderen.
Tijdens zijn reizen bezocht hij veel theaters en deed daar inspiratie op iets soortgelijks in Nederland te gaan doen.
In eerste instantie stond hij samen met zijn broer op het toneel en in 1915 richtten ze de Bandy Brothers op, maar ze kregen al snel ruzie en ieder ging zijn eigen weg.
Aanvankelijk modderde hij maar wat aan, maar vanaf 1919 begon het te lopen en kreeg hij
succes in het Flora Theater en nam zijn eerste plaatje op.
Zo werd hij een succesvol zanger, niet in de laatste plaats omdat hij samenwerkte met goede liedjesschrijvers als Ferry van Delden maar vooral door zijn vrouw Eugenie Küch.
Bekende liedjes waren ‘Overschotje’ en ‘Het graf van de onbekende soldaat’.
Hij was geen groots zanger, maar hij compenseerde veel met zijn charisma en uiterlijk werd hij als conferencier onovertroffen.
Zo werd in sketches zijn persoonlijke aanpak van een gefingeerde familie het lijdend voorwerp en dat was vernieuwend.
In 1931 maakte hij een financiële klapper toen hij gevraagd werd de hoofdrol te spelen in de Nationale Revue, dit revuegezelschap was een van de grootste van het land en hij trok volle
zalen.
De liedjes die hij in deze revues zong waren luchtig en optimistisch, zoals: ‘Dat zou je wel willen’, ‘Zoek de zon op’ en ‘Schep vreugde in het leven’ werden door veel Nederlanders enthousiast op straat en in het theater meegezongen.
Ondertussen speelde hij in 1934 de hoofdrol in de film ‘Het meisje met de blauwe hoed’.
De Tweede Wereldoorlog bracht hem in een lastig parket, want hij werkte voor een
adviescommissie van de Kultuurkamer, een door de nazi’s ingestelde organisatie, maar in 1943 werd hij opgepakt en geïnterneerd in een gijzelaarskamp.
Het zingen van een pro Nederlands liedje speelde daarin wellicht een rol.
Na een zenuwinzinking werd hij vrij gelaten.
Bij zijn eerste optreden in juni 1945 net na de oorlog, wilde de Binnenlandse Strijdkrachten hem oppakken.
‘Wanneer ik iets misdaan heb, stenig mij dan!’, riep een emotionele Bandy in de zaal.
Het publiek applaudisseerde op haar beurt en de BS’ers vertrokken onverrichter zaken.
Toch was hij flink beschadigd door de oorlog.
Op het podium kampte de topartiest met onzekerheid, zo hadden de grote revues hun beste tijd gehad en hij concentreerde zich vooral op radiowerk.
Zijn privéleven was ook roerig, mede doordat zijn vrouw Eugenie was in 1944 overleden.
In 1952 trouwde hij voor de derde keer, dit maal met de 43-jaar jongere Carla van der Hurk.
Het was een rampzalig huwelijk dat in 1958 eindigde in een scheiding.
Hij kampte met depressies die leidden tot een triest einde, want in 1959 pleegde hij zelfmoord.
Bandy’s tragische dood vormt een enorm contrast met zijn zonnige repertoire waarvan veel liedjes nu nog opvallend fris klinken.
Dit weekend is het nummer zoek de zon op de Gouden terugblik bij Radio de BOM.
Lou Bandy – Zoek De Zon Op.
